Index plant names Suriname
Boekbespreking
Charlotte I.E.A. van 't Klooster, Jan C. Lindeman & Marion J.
Jansen-Jacobs.
Index of vernacular plant names of Suriname.
Blumea (Journal of Plant Taxonomy and Plant Geography), Supplement
15, 2003.
ISBN 90-7136-55-2, 322 pp., prijs 50 euro.
Door J. van Donselaar.
De redactie van Blumea presenteert deze Index op
Internet als 'a splendid tool to link local plant names, used by
the people of Suriname, with names in scientific use'.
Dat is inderdaad wat de samenstellers (drie botanici werkend vanuit
de Utrechtse vestiging van het Nationaal Herbarium Nederland) in de
eerste plaats voor ogen heeft gestaan. Hierbij moet evenwel bedacht
worden, dat die volksnamen voor de zuivere plantensystematiek (de
'plant taxonomy' in de subtitel van het tijdschift) van weinig
betekenis zijn. Daar heeft men aan de wetenschappelijke namen
genoeg. De drijfveer achter deze Index was dan ook een
andere - ik citeer opnieuw bovengenoemde presentatie: 'Local names
are especially important for plants used in medicine, for wood,
fish poison, food or other commodities.' Ziedaar: kennis van de
juiste volksnamen is vaak nodig waar planten ten behoeve van mensen
of hun huisdieren nuttig (zouden kunnen) worden aangewend, kortom
waar sprake is van 'etnobotanie'.
Maar er is
lexicografisch gesproken meer aan de hand. Het boek bevat
volksnamen uit tien van de twintig in Suriname gesproken talen, te
weten (Surinaams-)Nederlands, Sranan(tongo), Saramakaans, Matawai,
Aukaans, Paramakaans, Karaïbisch, Arowaks, Trio en Wayana. (Zie
voor enige bijzonderheden over deze talen de bespreking
van de Atlas of the languages of Suriname.) De inrichting
van de Index is nu zo, dat niet alleen bovengenoemde
schakels tussen volksnamen en wetenschappelijke namen gelegd kunnen
worden, maar ook die tussen de namen uit de behandelde talen
onderling. Dat betekent, dat de Index in principe 55, deels
zeer bijzondere, vertaalwoordenboeken in zich bergt. Aangezien
echter niet voor iedere opgenomen soort in alle volkstalen een naam
bestaat of gevonden is, vertonen vele van deze 'deelwoordenboeken'
heel wat onvermijdelijke, dan wel nog eens op te vullen plaatsen.
Dit alles in aanmerking genomen is bespreking in een
lexicologisch/lexicografisch medium als Trefwoord
ruimschoots gerechtvaardigd.
Wat de structuur
betreft: het gaat in wezen om twee lijsten van namen. De eerste
bestaat uit een opsomming van de wetenschappelijke namen van de
ongeveer 2300 opgenomen soorten, gerangschikt volgens hun
onderlinge verwantschappen in geslachten (genera), de
geslachten zo ook in families. Deze lijst is wetenschappelijk
gezien, ook qua nomenclatuur, up-to-date. Achter iedere naam staan
achtereenvolgens (a) de gevonden volksnamen per taal, (b) bij
iedere volksnaam een verwijzing naar de exemplaren die,
geëtiketteerd mede met die naam, zijn ondergebracht in het
herbarium te Utrecht, (c) per exemplaar de naam (afgekort) van de
verzamelaar - daarvan zijn er 49 - met diens verzamelnummer. Alles
is dus controleerbaar.
De tweede lijst geeft
alle opgenomen volksnamen in alfabethische volgorde. Iedere naam
wordt gevolgd door (a) de taal of talen waartoe deze behoort, (b)
de wetenschappelijke naam, (c) de familie. Vele volksnamen staan
twee of meer keer onder elkaar, als ze bij meer dan één taal en/of
één soort met zijn wetenschappelijke naam horen. Er zijn ook vele
volksnamen die twee
keer, op verschillende plaatsen, in de lijst staan, bijvoorbeeld
wit riemhout onder de w en als riemhout,wit
onder de r. Daardoor is het aantal combinaties
volksnaam-wetenschappelijke naam kleiner dan het aantal ingangen,
namelijk niet ca. 8250, maar ca. 7050. Dat betekent dat er voor de
ca. 2300 soorten gemiddeld drie volksnamen per soort gevonden
zijn.
De volksnamen zijn, als gezegd, ontleend aan gegevens van 49 'verzamelaars', achter welken veelal niet met name genoemde boomkenners ('tree spotters') en ongekwalificeerde hulpkrachten ('guides' e.d.) schuil gaan, alsook instituties als 's Landsbosbeheer, en dat in vele gevallen uit de tweede hand. Ze hebben namelijk als directe gemeenschappelijke herkomst de aantekeningen op systeemkaarten en in notitieboekjes van Lindeman, aangevuld met enige tientallen door Van 't Klooster opgespoorde Saramakaanse en Sranan namen. Lindeman heeft zijn namen sedert 1948 ten dele zelf vernomen tijdens botanisch veldonderzoek, de overige aangereikt gekregen van of via een van de andere 48 'verzamelaars'. Het aldus verkregen corpus van volksnamen is, zoals ook in het voorwerk duidelijk wordt gesteld, niet door de molen van een kritische, zowel botanisch als taalkundig verantwoorde beoordeling gegaan. Eigen ervaring, in het bijzonder met bovengenoemde 'ongekwalificeerden', en vergelijking met andere verzamelingen van Surinaamse plantennamen doen mij vermoeden, dat er dan nogal wat kaf onder het koren zou zijn aangetroffen.
(2)
Een volgend punt is
de vraag hoe dit corpus zich getalsmatig verhoudt tot het totale
aantal van in Suriname bestaande, of althans voor de wetenschap
gedocumenteerde volksnamen. De Index overtreft in dit
opzicht weliswaar al het voorgaande verre - en dat zal voorlopig
wel zo blijven -, toch is hij uiteraard niet volledig, ook al
suggereert Prins Bernhard dat in zijn aanbevelende voorwoord ('This
book comprises [let wel] the vernacular names of plants used by
people living in Suriname ...'). De volledige titel van de
Index is gelukkig nauwkeuriger. Met enig snel tel- en
rekenwerk kwam ik tot de volgende, vermoedelijk wel enigszins
indicatieve bevinding. In de Woordenlijst
Sranan-Nederlands-Engels van 1995 is een aparte en zeer
deugdelijke lijst van Sranan plantennamen opgenomen; een dergelijke
lijst van Surinaams-Nederlandse namen zit in het Woordenboek van
het Surinaams-Nederlands (1989). Deze twee samen vermelden ruim
400 volksnamen die niet in de Index voorkomen. Opmerkelijk
is, dat daarbij namen zijn die Lindeman zelf in zijn eigen
botanische publicaties gebruikt heeft. Van door mijzelf in
1963-1966 aangeleverde nieuwe combinaties kan ik er ca. 150,
waaronder 53 met een toen nog niet bekende volksnaam, niet in de
Index vinden, één wel. Er is dus voor monniken nog wel enig
werk aan de winkel, maar wie moeten dat zijn? - in Suriname of
hier? Hoe dan ook, wat nu, vooral dankzij dit boek, op tafel ligt
is al heel veel; het kan en verdient toegepast te worden, in het
bijzonder in etnobotanische zin, zoals bedoeld door de
samenstellers van de Index.
De lijsten worden
voorafgegaan door een uitgebreid voorwerk, waarin al wat nodig is
om met de namen aan de gang te kunnen gaan, duidelijk wordt
uitgelegd. Maar je moet dat wel weten op te diepen uit een al te
grote veelheid ondoorgrondelijk gerangschikte informatie, die ten
dele wel relevant en/of interessant is (m.n. de historische
achtergrond), maar voor het overige in het kader van dit boek niet
ter zake doende.
Ik heb één serieus
punt van kritiek en dat betreft de behandeling van het
Surinaams-Nederlands (SN). Over alle betrokken talen worden de hier
nodige inlichtingen verschaft, behalve over het SN. Daar wordt in
het voorwerk geen woord aan gewijd, terwijl er wel bij ca. 520
soorten een SN naam gegeven wordt. Het lijkt dus alsof Surinamers,
indien met elkaar in de officiële taal van het land (d.i. het
Nederlands) een gesprek voerend, bij die andere ca. 1780 soorten
met hun mond vol tanden zouden staan. Maar dat is niet zo. Om te
beginnen zijn er nog wel meer 'zuivere' SN namen (zie boven), maar
bovendien heeft het SN voor heel veel planten een naam geleend uit
een andere Surinaamse taal - bijna altijd het Sranan - en die wel
of niet vernederlandst. Of al die namen, of een deel ervan, nu ook
als geleend element tot de SN woordenschat gerekend mogen worden,
moeten de Surinamers nog gaan uitmaken met elkaar. Dit alles komt
in het boek niet ter sprake, net zo min als het feit dat men bij 's
Landsbosbeheer al minstens sedert de jaren zestig beschikt over een
lijst van standaardnamen voor eigen gebruik.
Tenslotte nog enige
van mijn vele kleinere punten van kritiek, waarbij ik mij beperk
tot talige kwesties.
Het was niet nodig het 'basic vocabulary' van de Surinaamse creooltalen ter sprake te brengen (p.10), maar nu dat wel gebeurd is, had aan niet-taalkundigen uitgelegd moeten worden wat dat is.
Het was niet nodig het 'basic vocabulary' van de Surinaamse creooltalen ter sprake te brengen (p.10), maar nu dat wel gebeurd is, had aan niet-taalkundigen uitgelegd moeten worden wat dat is.
Het boek volgt de
recentelijk opgekomen, m.i. zeer onverstandige gewoonte om
Indigenous te schrijven waar het Nederlandse 'indiaans'
bedoeld wordt. In Nederlandstalige publicaties gebeurt dat ook
steeds meer : Inheems en Inheemsen, zelfs met
hoofdletters. Willen de Surinaamse indianen dat zelf wel ? Het is
in ieder geval verwarrend, gezien de normale betekenis van deze
woorden, en zeker als je zelf in je eigen (i.c. dit) boek die óók
gebruikt (p. 17), en dan ook nog een keer Indiaans (p.9).
Surinaams als
equivalent voor Sranan(tongo) (p. 10) is niet alleen
verwarrend en (gelukkig) verouderend, maar ook niet correct
tegenover Surinamers die een andere moeder- of thuistaal spreken. Dit geldt
vooral met betrekking tot de Hindostanen, wier taal in de korte
vorm Sarnami
genoemd wordt, wat óók 'Surinaams' betekent.
De manier waarop de
Flora of Suriname vermeld wordt in de literatuurlijst -
Pulle (e.d.). 1966-1984 - is onjuist. Pulle was de 'editor' vanaf
het begin in 1932; zijn naam bleef aan het werk verbonden tot 1957;
hij stierf in 1955. Zijn opgevolger als 'editor' was
Lanjouw.
Kortom: een
ongebruikelijk, maar wel zeer bruikbaar boek, en dat niet alleen
voor de beoogde etnobotanici. Als lexicografisch product een
buitenbeentje.
Aangehaalde literatuur
Pieter A. Teunissen & Marga C.M. Werkhoven.
Planten/plants. In: Stichting Volkslectuur Suriname, 1995.
Woordenlijst/wordlist Sranan-Nederlands, Nederlands-Sranan,
English-Sranan, p. 223-252. Paramaribo, Vaco.
J.van Donselaar, 1989. Woordenboek van het
Surinaams-Nederlands. Muiderberg, Coutinho.