Vraaggesprek met J.A.N. Knuttel
Vraaggesprek met J.A.N.
Knuttel (1878-1965), redacteur van het WNT
van september 1905 tot mei
1943
door Dick Wortel
Wortel: Meneer Knuttel, het Woordenboek is af. Hoe vindt u dat?
De heer Knuttel: Nu pas? Het heeft wel erg lang geduurd. Het had al lang voor de oorlog voltooid moeten zijn. Ik heb mij altijd geërgerd aan het langzame tempo. Die eeuwige duur van de voltooiing gaf aan het Woordenboek iets belachelijks. Een doelbewust leider had die voltooiing zeer kunnen bespoedigen. Ik had die leider wel willen zijn. Toen ik er kwam, in 1905, waren daar Kluyver en Beets. Eerst moest ik citaten uitschrijven en ander assistentenwerk doen om het materiaal te leren kennen. Wij moesten voor een groot deel onze eigen assistent zijn. Maar al gauw mocht ik artikelen maken, eerst onder leiding van Kluyver, later onder leiding van Beets. Kluyver lag mij wel. Hij streefde naar beknoptheid en vond de etymologie maar bijzaak. Het maken van artikelen vond ik niet moeilijk. Na acht maanden mocht ik al zelfstandig werken. Ik geloof dat er een jaar voor stond. Hoewel ik veel minder werkte, kreeg ik toch bijtijds mijn aflevering klaar. Onze taak was anderhalve aflevering per jaar. De C was een weinig lonende letter. Het waren allemaal korte artikeltjes, want er waren nauwelijks citaten; bovendien verwees ik veel woorden naar de K. Ik liet ook heel wat woorden schieten en maakte me verder niet zo druk met het zoeken naar meer bewijsplaatsen. Ik werkte gewoon snel. De voorzitter van de Commissie van Bijstand, Quark was dat, sprak zijn tevredenheid uit omdat ik toen al tot Conclusie was gevorderd. Ik heb zelfs Beets een paar keer geholpen met het afmaken van zijn aflevering.
Met Beets
heb ik het vaak aan de stok gehad. Maar die heb ik de mond kunnen
snoeren. Ik was natuurlijk toen ook nog communist en erg actief.
Dan word je met argusogen bekeken. Ik moest dus wel wat voorzichtig
zijn. Mijn werk was niet vrij van slordigheden. Niet mijn
indelingen en definities. Die waren zeker niet minder dan die van
de anderen. Op een keer zond Beets mij een heel pak aanmerkingen.
Kluiver was toen al vertrokken naar Groningen om daar hoogleraar te
worden en Beets had toen de leiding. Die aanmerkingen waren voor
tweederde onjuist en bevatten verder veel correcties, maar niet
zonder betekenis. Dat gaf ik toe, maar de beste verdediging is de
aanval. Ik nam de laatste aflevering van Beets onder de loep en van
wat ik toen vond, is de goede man zo geschrokken, dat ik hem
sindsdien niet meer heb gehoord.
Later is het Woordenboek wel wat
meer voor mij gaan betekenen. Alleen die breedvoerigheid van mijn
collega=s ging ik steeds bedenkelijker vinden. Vooral bij Beets
ging ze in zijn laatste jaren alle perken te buiten. Dat ging ook
ten koste van de kwaliteit. In 1938 trad Hein- [53] saus af en werd
ik leider van de redactie. Ik heb mij echter bepaald tot enkele
vermaningen. Voor meer meende ik niet voldoende gezag hebben. Toen
Van der Melen, Beets en Heinsius waren vertrokken kwamen er vijf
nieuwe redacteuren in opleiding, waar ik ook mij aandeel in kreeg,
vooral na het vertrek van Heinsius. Eén trok zich vrij snel terug
en met Kruyskamp, Heeroma en De Tollenaere kon ik goed opschieten,
maar met de altijd tegensprekende, onvriendelijke Mak heb ik het
een paar keer aan de stok gehad. Ik had ook een groot wantrouwen in
zijn oprechtheid.
Neerlandia, juni
1907.
Het groote
Woordenboek
Met rechtsonder dr. J.A.N.
Knuttel
[54] In 1943 ging ik met pensioen.
Dat ging geruisloos, want ik was toen, in mei van dat jaar,
uitgeweken naar Blitterswijk aan de Maas. Ik kreeg wel een heel
aardig briefje van Koosje van Lessen. Het werd voor mij te
gevaarlijk in Leiden. De Duitsers zaten voortdurend achter
communisten aan.. Hier in Leiden hadden ze er al menigeen
gearresteerd. Al in 1941werden er twintig kameraden opgepakt en
naar concentratiekampen afgevoerd. Vaak heb ik verwondering horen
uitspreken dat ik niet gehaald was. Maar ik was toen ruim zestig
jaar en ik was al acht jaar niet meer actief in de partij. Maar
misschien was ook inspecteur Eskens van de Leidse politie wel mijn
stille beschermer. Die mocht mij wel. In 1945 heb ik mijn losse
betrekking met het Woordenboek, waar ik nog wat klusjes voor deed,
opgezegd.
Wortel: Het is hier niet de plaats om met u te spreken over uw activiteiten binnen de communistische partij, maar u was daarin wel zeer actief en dat gaf wel eens conflicten met het Woordenboek. Weet u daar nog iets van?
De heer Knuttel: Ik was in 1906 lid geworden van de SDAP-afdeling in Leiden. In 1907 begon ik met het geven van scholingscursussen over de theorie van het marxisme. Daarmee was ik in mijn element. Ik wist mijn gehoor te pakken en ik was duidelijk en overtuigend. Maar deze cursussen werden aangekondigd in Het Volk, een socialistisch dagblad. Op een ochtend kreeg ik bezoek van Kluyver, die mij vertelde dat de Commissie van Bijstand geschrokken was, dat in Het Volk had gestaan dat ik zo’n cursus zou geven. En als het zou zijn, dat de regering daarom bezwaar zou maken ten aanzien van de subsidie, waarvan het Woordenboek in hoofdzaak moest bestaan, dan zouden ze mijn belang niet kunnen laten gelden. Ik heb toen een briefje teruggeschreven waarin ik beloofde bij mijn deelnemen aan het openbare leven steeds met omzichtigheid te werk te gaan en het verschijnen van mijn naam in de pers zoveel mogelijk te trachten te vermijden. Daar nam Quack toen genoegen mee. Maar helaas verscheen er een week na dat briefje, in maart 1908 was dat, een bericht in Het Volk waarin stond dat ik als spreker was opgetreden op een vergadering van de SDAP in Leiden. Ik had een toespraak gehouden over het Communistisch Manifest en voorgedragen uit De Nieuwe Geboort van Henriëtte Roland Holst. Daar kreeg ik een heel pinnig briefje van Quack op. Ik schreef hem dus weer een briefje terug, dat ik mij naar aanleiding van een eerdere brief van hem ernstig voorgenomen had niet als spreker in openbare vergaderingen op te treden, geen met naam of voorletters getekende stukken in de bladen te plaatsen en geen kandidatuur voor de gemeenteraad aan te nemen. Maar het was in Leiden toen een besloten vergadering, waar anders toch nooit melding van werd gemaakt in Het Volk. Ik had trouwens aan een bestuurslid duidelijk gezegd dat ik niet met mijn naam in de kranten wilde en hij zou dat overbrengen, maar dat is niet gebeurd. Daar kon ik niets aan doen. Ook was de correspondent van Het Volk er niet, dus met hem kon ik geen afspraken maken. Ik was dus [55] zelf ook verrast dat ik een bericht in Het VoIk over die vergadering tegenkwam. Gelukkig deelde de Commissie mij later mee, dat zij met mijn verklaring tevreden waren. De ironie van deze geschiedenis vond ik, dat de lezer van Het Volk de heer Quark zelf was, de enige die mij om mijn socialisme is lastiggevallen. Hij, de schrijver van het standaardwerk De Socialisten.
Wortel: Meneer Knuttel, nu ik u toch spreek. Wilt u nu eens onthullen wie dat meisje was op wie u als leraar in Rotterdam stapelverliefd werd?
De heer Knuttel: Ik weet dat nog goed. Ik werd in september 1902 benoemd tot leraar Nederlands en geschiedenis op het gymnasium Erasmianum in Rotterdam. Vierentwintig jaar was ik toen. In mijn derde klas zat een meisje, mij afgeschilderd als een goede maar lastige leerling. Nyza was haar naam, Nyza de Jongh, en zij was toen veertien jaar. Haar vader was rechter bij de arrondissementsrechtbank in Rotterdam. Zij trok mij direct aan, vooral door iets wat wij toen vrijgevochten noemden, en door haar verstandige manier van praten. De intonatie en de warme klankrijkheid van haar stem deden als een schok door mij heen gaan: dit meisje heeft ‘het’ en dit meisje moet mijn vrouw worden. Drie jaar lang zijn wij met elkaar geweest, dat moest heimelijk en onopvallend. We wandelden met elkaar, ik liep met haar op naar school en in de winter schaatsten we samen. Ze had trouwens ook nog andere vrijers. Ik schreef haar brieven, die door twee vriendinnen van haar, Annie Salomons en Mien Mees, werden overgebracht. Ik liep regelmatig ‘s avonds langs haar huis en zag op naar haar raam. Een keer ging het gordijn open... Later vertelde zij mij, dat ze voor mij alleen maar vriendschap voelde.
Maar op
haar zeventiende verjaardag meende ik alle geheimzinnigheid te
kunnen doorbreken. Ik wilde haar officieel feliciteren en daarbij
onze verhouding bekendmaken. Dat werd erop of eronder. De bravoure
prikkelde mij. De ontsteltenis die mijn binnenkomen met mijn rode
rozen wekte, had niet groter kunnen zijn. Vooral de moeder was
woedend. Haar vader wilde allereerst weten waar hij aan toe was. De
volgende dag was zij van school genomen. ‘s Middags kwam haar vader
op het spreekuur van rector Warren. De rector was verontwaardigd.
‘Je hebt haar zinnen geprikkeld,’ zei hij. Hij raadde mij aan om
geen herbenoeming aan te vragen bij het curatorium. Ik heb nog
gedichten voor haar gemaakt. Ik ken er nog een uit mijn
hoofd:
Ik liet mijn handen in ‘t welig gouddons duiken,
Bracht mijn lippen naar jouw
rooden mond,
Nog even zag ‘k je zalig de
oogen luiken,
Eer ‘k zelf bedwelming in je
kussen vond.
Mooi, he, meneer Wortel.
Wortel: Meneer Knuttel, dank u wel voor dit gesprek.
[56]
Literatuur
— Harmsen, G., ‘Dr. J.A.N.
Knuttel, Neerlandicus en communist*, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse
letterkunde 1968-1969, Leiden, E.J. Brill, 1971. (Met een
bibliografie.)
— Knuttel, J.A.N., Verzen aan
N. de J. Met een nawoord door J. Slangen. Rotterdam, Ordeman,
1991. (De geciteerde strofe op blz. 20 komt uit een gedicht van 8
maart 1904. Nyza de Jongh huwde in 1911 met Klaas Tjebbes en later
met Floris Vos. Zij overleed op 19 juli 1968 te Huizen (p.
44).)
— Knuttel, J.A.N.,
Levensloop. Met een voorwoord van Theun de Vries en een
biografische portret door Jaak. Slangen. Leiden: Wetenschapswinkel
RUL, 1989. (Met een uitgebreide bibliografie. De tekst van
dit artikel is gebaseerd op de tekst van de Levensloop, om Knuttel
zo veel mogelijk zelf te laten spreken. Zie vooral pp. 155, 174 en
323.)
— Wortel, Th.P.F., ‘Dr. J.A.N.
Knuttel. Peuterige kamergeleerde tussen Marx en
Kluiver*, in: Jaarboek INL over
1981 en 1982. Leiden, INL, 1984, p. 66-85. (Met
uitgebreide opgave van de door Knuttel bewerkte
lemma*s en
trajecten.)
— Wortel, Th.P.F., ‘Knuttel en het
Woordenboek*, in: Jaarboek INO’S over
1987. Leiden, IN, 1989, p. 101-111.
— Wortel, Dick, ‘JAN. Knuttel en
de perceptie van G.A. Bredero. Wetenschap en romantiek rond
Bredero*, in: Voortgang.
Jaarboek voor de Neerlandistiek. Dl. 13 (1992). Amsterdam,
Stichting Neerlandistiek VU, 1992. (Over Knuttel en de
neerlandistiek.)
Dit artikel is eerder gepubliceerd
in Trefwoord 13, Jaarboek lexicografie 1998-1999, pp. 52-56.
De paginanummering van het origineeel staat tussen [
].