Karikaturen De Vries
DOOR NOP
MAAS
In oktober 1891 begon R.A.
Kollewijn (1857-1942) een offensief ter vereenvoudiging van de
spelling. In het tijdschrift Vragen van den Dag publiceerde
hij het opstel ‘Onze lastige spelling’, dat kort daarop – aangevuld
met een naschrift – ook als brochure het licht zag. Kollewijn
daagde de ‘tirannieke, onverdraagzame, dikwijls onberekenbare
Nederlandsche spelling’ voor de rechterstoel van het gezond
verstand om haar ‘te beschuldigen van eindelooze plagerijen,
waardoor ieder Nederlander die de pen hanteert, dag in dag uit
wordt gekweld’.
Kollewijn kritiseerde de
spelling die De Vries en Te Winkel ontworpen hadden in het kader
van het WNT. Met alle respect voor het illustere duo
betoogde Kollewijn dat een normaal mens hun stelsel slechts met
veel moeite kon hanteren en dat het in het onderwijs veel – en dan
nog vruchteloos – tijd vergde. Belangrijke wijzigingen die hij
voorstelde waren het afschaffen van de buigings-n en het weglaten
van de klinkerverdubbeling in open lettergrepen.
Uiteraard ontstond er veel
discussie over Kollewijns voorstellen. Onder zijn impuls zou de
Vereniging tot Vereenvoudiging van onze Schrijftaal worden
opgericht, die pas decennia later haar verlangens goeddeels
ingewilligd zou zien.
Op 28 februari 1892
publiceerde De Amsterdammer een karikatuur waarop De Vries
als nachtmerrie de slaap verstoort van Kollewijn. Het plaatje en
het – vrij aan het vijfde bedrijf van de Gijsbreght
ontleende – onderschrift wekken de indruk dat De Vries zelf aan het
spellingdebat deelnam, maar bij mijn weten was dat niet het geval.
De Vries genoot van zijn emeritaat, voorzover zijn geschokte
gezondheid dat toeliet.
De directe aanleiding voor de
karikatuur was waarschijnlijk het opstel ‘Over spelling’ dat G.
Kalff [46]
[47]
Karikatuur in De Amsterdammer,
28 februari 1892
publiceerde in De Gids
van februari 1892. Kalff probeerde de kritiek van Kollewijn op het
stelsel van De Vries en Te Winkel te weerleggen. Hij stelde vast
dat discussiëren over de spelling in de loop van de tijd wel een
populair nationaal speelgoedje lijkt: ‘blinkend rammelaartje,
waaraan klinkers en medeklinkers lustig heen en weer rinkelden,
telkens opnieuw gezwaaid door de handen van een volgend
geslacht.’
Het door Kollewijn gewraakte
tijdverlies op school viel volgens Kalff wel mee, als het
spellingonderwijs maar ingebed werd in de rest van het programma.
En over de moeilijkheid van De Vries en Te Winkel voor volwassenen
viel pas goed te oordelen, als meer mensen het stelsel op school
geleerd hadden. Voor de meeste penvoerende Nederlanders was dit
immers nog niet het geval.
Aardig is nog dat Kalff aan
het eind van zijn opstel de tekenaar van ‘het Weekblad’, d.w.z. van
De Amsterdammer opriep een karikatuur te wijden aan de zaak.
Graag zou hij in beeld gebracht zien hoe – in de voorstelling van
Kollewijn zelf – een twintigtal taalkenners te hoop liepen ten het
heiligdom van de nieuwe spelling dat Kollewijn
opbouwde.
Ook De Nederlandsche
Spectator bediende zich nog van De Vries bij het in beeld
brengen van de nieuwe spellingbeweging. Op 25 februari 1893
beklaagde allerlei bedreigde spellingselementen zich bij de schim
van de inmiddels overleden De Vries. Het onderschrift laat
duidelijk zien dat de tegenstanders veel verdergaande veranderingen
vreesden dan Kollewijn in werkelijkheid voorstelde.